Veelkleurige stilte Als een variant op een poëtische uitdrukking in een van de religieuze liederen van onze tijd, als een variant op de uitdrukking 'veelstemmig licht' introduceer ik hier in mijn afsluitende overweging de uitdrukking 'veelkleurige stilte' . Want de stilte voorbij, veronderstelt een visie op welke stilte. In de reeks bijdragen van dit jaar is er een caleidoscoop aan aspecten van stilte getoond, die wat er aan voorbij gaat telkens in een ander licht plaatst. Wat is er voorbij de stilte van de kerstnacht, de stilte van de verwondering om dit pasgeboren mensenkind? Wat is er voorbij de stilte van de zwijgende massa, voorbij het collectieve zwijgen dat ook weer vele talen spreekt? Wat is er voorbij de stilte aan de overkant, de stilte van dat onbekende waartegen we ons afzetten en dat ons tegelijkertijd niet loslaat? Wat is er voorbij de stilte van de leegte, de woestijn, de onherbergzaamheid, die ons naar ons diepste zelf brengt, ons ingetogen doet zijn en ons verstilt? Wat is er voorbij de stilte van het lam, van de waarheid die geen verdediging nodig heeft, maar die ook niet veroordeelt? Wat is er voorbij de stilte van de Geest die in de stilte tot spreken komt? Wat is er voorbij de stilte die valt en vallen moet tijdens de dialoog? Wat is er voorbij de radiostilte, de stilte die verbindingen uit doet vallen? Wat is er voorbij de stilte die het mysterie van God inboezemt.....?
Veelkleurige stilte die wat eraan voorbij gaat even veelkleurig doet zijn, zo mag worden verondersteld.
De stilte als het voorlaatste De stilte in zijn veelkleurigheid heeft één ding gemeen: het is altijd het voorlaatste. Niet alleen in de tijdsaanduiding die deze uitdrukking is, maar ook in de rangschikking van belang en kwaliteit. De stilte heeft niet het laatste woord – of moet ik zeggen: stilte is niet het laatste woord -, het is het voorlaatste, omdat het in dienst staat van wat belangrijker en waardevoller is. Net als Johannes de Doper, van wie gezegd wordt: 'Hij was niet het Licht, maar moest getuigen van het Licht' (Johannes 1, 8) en die in de woorden van de profeet Jesaja als een roepende is in de woestijn, een die stem geeft aan het woord van verlossing, zonder dat woord zelf te zijn. Zoals Johannes de voorloper is, zo is de stilte in zijn veelkleurigheid het voorlaatste, het voorlopige Zoals Johannes kleiner moet worden om de Messias groter te doen zijn, zo moet de stilte plaats maken, ruimte scheppen voor wat groter en vervullender is. De stilte als het voorlaatste wil opgaan in het laatste, de stilte als het voorlopige en tijdelijke wil plaats maken voor het eeuwigdurende.
Precies dat doet in als zijn geschakeerdheid de stilte: hij onderbreekt, hij schort op. De loop der dingen wordt onderbroken, de gang van de gedachte wordt stilgezet. De stilte in al zijn veelkleurigheid slaat niet dood, maar schudt wakker, doorbreekt het automatisme en de oppervlakkigheid, keert het vanzelfsprekende naar buiten het gewone, naar het buitengewone. Zo vervult de stilte een eminente functie, want het richt de aandacht op wat komen gaat. Stilte is er daarom niet voor zichzelf maar voor iets dat komen moet. Daarom is stilte iets wat niet is omwille van wat er zal zijn, of beter: iets wat niet is omwille van iets wat nog niet is, maar wat komen gaat.
De stilte als het hoogst haalbare Juist omdat stilte open maakt naar wat er nog niet is, maar komen zal, is stilte het hoogst haalbare. Het is de uiterste stand die we kunnen innemen. Het is het uiterste waartoe we in staat zijn. In staat tot stilte. Waar een mens in de veelkleurigheid tot stilte komt, heeft hij het uiterste bereikt waartoe hij in staat is, staat hij als het ware aan de rand van de tijd in het aangezicht van eeuwigheid. Het eeuwige reikt als het ware al de tijd binnen in het bewustzijn dat de stilte in tal van situaties wekt. Maar het is nog voorlopig en aan tijdelijkheid gebonden. De stilte ademt eeuwigheid en vervulling, door juist de tijd te onderbreken en verlangen te wekken. Een verlangen over de tijdelijke staat der dingen uit – een extatisch verlangen dat toch gebonden blijft aan het hier en nu en daar en straks. Maar juist de stilte helpt dit verlangen te wekken, maakt daarvoor ontvankelijk. Zo brengt de stilte een mens tot het uiterste waartoe hij in staat is, het verlangen over de grenzen van het tijdelijke heen naar eeuwige vervulling. Die eeuwigheid laat op zich wachten, maar door de loop der tijd en tijdelijkheid te onderbreken brengt de stilte in al zijn varianten de mens tot extatische hoogte en wekt in hem het verlangen naar wat nog niet is. De stilte is aldus een tijdelijke voorwaarde voor de hoogste waarde, voor alles wat van eeuwigheidswaarde is waarnaar een mens verlangt.
Voorbij de stilte Aan tijd en ruimte gebonden vermogen wij daarom niet voorbij de stilte te komen. We blijven aan het voorlaatste gebonden. Bij de stilte houden onze mogelijkheden op, maar worden we wel de werkelijkheid van wat eeuwig is gewaar. Er is een werkelijkheid voorbij de stilte, maar die onttrekt zich nog aan onze ervaring. Maar wie de stilte als uiterste werkelijkheid in zich toelaat zet wel een belangrijke stap naar dat wat aan de stilte voorbij voert. Voor wat dat is hebben we nog geen woorden, hoogstens beelden, ontleend aan ons tijdelijk bestaan maar vervuld van het verlangen naar tijdeloosheid. 'Laat ons hier drie tenten opslaan, voor u, voor Mozes en Elia' roept Petrus uit bij het zien van de verheerlijking van Jezus op de bergtop van de Tabor. Zo 'n ogenblik gaat voor eeuwigheid. Hier staat de tijd stil en tilt de toeschouwers boven zichzelf uit. Hier is vervulling, maar wel in beelden ontleend aan deze werkelijkheid. Een glimp van eeuwigheid. Meer verankerd in een onstilbaar verlangen dan in een aangebroken werkelijkheid. Wat de stilte voorbij is, kunnen we alleen verlangen, nog niet zien en betasten. Maar dat er een voorbij is, dat na de stilte volheid van leven is, dat is de diepste drijfveer van het verlangen naar oneindigheid dat opwelt als de stilte al het tijdelijk in ons tot verstommen brengt.
Toch kan dit verlangen meer zijn dan alleen een inbeelding. Wie de stilte in zich toelaat en wel die die over het geheim van de verrijzenis van Jezus hangt, beseft dat zijn verlangen naar oneindigheid gegrondvest is in wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, namelijk dat één uit de dood verrezen is het nieuwe leven binnen. Wie met Johannes het graf van Jezus betreedt en niets ziet dan de doeken waarin hij gewikkeld was na zijn sterven, kan tot de overtuiging komen dat Hij leeft, en dat hier wat voorbij de stilte is zich toont als de eeuwigheid die reeds aanwezig is en, toch onuitsprekelijk, het verlangen naar oneindigheid schraagt. Dan is het voorbij de stilte niet een werkelijkheid die nog niet is, maar een die reeds zichzelf aandient in dit onvatbare verrijzenisgebeuren dat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord. Maar alleen in termen van stilte kunnen we die werkelijkheid in ons toelaten, omdat stilte de uiterste mogelijkheid blijft van een werkelijkheid waartoe wij in staat zijn. Juist de werkelijkheid die voorbij de stilte is, kunnen we alleen in stilte tot ons toelaten. Een stilte die dan alle kenmerken heeft van wat die werkelijkheid voorbij de stilte zelf eigen is. Een stilte van vrede, dankbaarheid, genegenheid en toewijding, die elk verlangen dat aan tijdelijkheid is ontleend verre overtreft.
Pastor Huub Flohr (november 2011) |